Ik zie.
Ik zie niet.
Ik weet.
Ik weet niet.

De dag begint bij Straathoekwerk ‘Vlastrov’ (VLAams STRaathoekwerk OVerleg) Oostende. Een voltallig stadsteam staat ons met wel 12 Vlastrov’s te woord over hun stad, met hun straten, en hun ‘gasten’. Gasten die gebruiken, Gasten die zich prostitueren, Gasten wiens kansen arm zijn, Gasten die Gasten heten in plaats van clienten want dat klinkt te officieel. Deze werkers zijn niet officieel, ze zijn echt. Werken 24/7. “Dit is genen job” zegt er een en dus ook genen normale werktijden voor de Vlastrovs. Ze zijn er. En dat is het belangrijkste. “Sommige Gasten bellen u na 5 minuten, voor andere moet je er eerst een jaar zijn voordat ze überhaupt op het idee komen hun verhaal bij u te doen”. Aan het eind van een geanimeerd uur praten met net geen optie op diepgang ontfutselen we wat halve afspraken en telefoonnummers -typisch West-Vlaams- en bedenken we vandaag eerst maar eens Oostende van links naar rechts en van onder tot boven te gaan bekijken vanaf onze meegebrachte Amsterdamse stadsfietsen. Voila, ingeburgerd op twee wielen, makkie, let’s go!

Ik zie, tot mijn verbazing, zoveel rijkdom. Zoveel mogelijkheden. Door zo gretig te kijken naar een onbekende omgeving kan ik opnieuw onder de indruk raken van hoe de mens zich weet te organiseren. Het idee dat we huizen bouwen, huizen van verschillende soorten steen en glas en met daarin verwarming en verkoeling geïnstalleerd en draden waardoor abonnementen stomen die ons weer verbinden met erbuiten, met de winkels waar we vanaf onze bank een kijkje nemen maar die ook echt bestaan, overal de hele tijd. Het lijkt alsof er zoveel meer open is dan in de winter toen we onze eerste bezoeken deden aan deze wonderlijke stad. Het is hier grijs, erg grijs, zowel in huizen/ stratenbouw als in leeftijd. Maar dit is west Vlaanderen dus het straatbeeld-grijs telt niet. De ouderdom van de bevolking… die telt wel. Die tikt doorrrr.

In 2030 is 43,5% van de populatie hier 65+… Dat vertelde Pascal me gisterenavond bij aankomst, vandaag zie ik hoe dat er ongeveer uit moet gaan zien en da’s best heel grijs. Jonge Oostendenaren gaan elders studeren en keren niet terug. En dat is niet zo gek want de andere jonge Oostendenaren bleven ook al weg. Maar dan zitten we in no time in een vicieuze cirkel, zeer rap gaat dat… ok, terug naar wat ik zie.

Ik zie beloftes. Beloftes van elektrische fietsen en auto’s. Waar ze worden verkocht en wie ze al berijden. Ik zie beloftes van vertier, zo vlak voor het hoofdseizoen worden terrassen en clubs opgepoetst en in gereedheid gebracht om weer een zomer zorgeloosheid te faciliteren. Ik zie beloftes van eten en drinken en slapen en zonnen en zwemmen en dansen en vrijen en gokken en shoppen. Ik zie veel shops open en bevolkt, een stuk meer dan in de crisis een paar jaar geleden. Ik zie gevels en straten die zijn onderhouden, schoon of nee: proper. Ik zie weinig vies eigenlijk, verdacht weinig?

Ik weet wat cijfers.

Oostende telt 71.268 bewoners waarvan de meesten in 1persoons huishoudens leven. Die persoon verdiend gemiddeld 17duizend euro per jaar. 1 op de 7 lukt het niet boven de armoede grens uit te komen, die ligt net boven de 11duizend euro per jaar.

Oostende is niet rijk. Een kwart van alle kinderen wordt hier in een kansarm gezin geboren…

Ik weet niet waarom ik die cijfers vandaag vanaf mijn stadsfiets helemaal niet zo ervaar. Zou de armoedige zich verschuilen achter schoon en schijn en schaamte?

De Vlastrov’s zijn hier niet voor niets, dat geloof ik niet. Die ogen vol verhalen keken me daarvoor vanochtend te indringend aan. Vragend naar of hun mensen, hun Gasten in ‘onze’ editie van theater aan zee dan wat meer mochten begrijpen van het werk dat er gepresenteerd zou gaan worden, of we daar een keer wat rekening mee zouden willen houden, dat het best wat “hoe zeg je dat… wat platter zou mogen zijn?”