Een onderzoek over armoede en ongelijkheid

door
Isil Vos en Mariëlla van Apeldoorn

“We mailen u vanuit Stichting Nieuwe Helden in het kader van ons project OchArme. Het project gaat over ongelijkheid. We maken onder andere een voorstelling over kinderarmoede, een reportage over jongeren en schulden en een portrettenserie over het gezicht van armoede. We willen graag wat dingen weten over het thema. Mogen we misschien langskomen?”

Zoiets, maar dan natuurlijk mooier verwoord, was de inhoud van de tientallen mailtjes die we verstuurden naar politici, wetenschappers, onderzoekers, hulpverleners, ervaringsdeskundigen, opleiders en projectorganisatoren in Nederland en Vlaanderen.

Muziek
In Leuven hebben we een eerste afspraak. Met Koen en Terri, de acteurs van de voorstelling over kinderarmoede.

Zij werken in een kleine zolderkamer boven de keuken, volgepropt met een audio-installatie, een piano, een laptop en een paar stoelen met jongeren van de Leuvense jeugdhulpvoorziening De Wissel. Koen en Terri werken met de meiden die willen zingen. De Troubadours noemen ze zich. Een voor een komen ze zingen. Als wij niet in de kamer hadden gezeten, hadden ze waarschijnlijk meer gebabbeld met Koen en Terri. Want dat doen ze normaal. Niet omdat zij therapeut of hulpverlener zijn, maar gewoon als mensen onder elkaar. Ze maken samen muziek en delen soms wat hen dwars zit. Koen en Terri zitten in de telefoonlijsten van al die zingende maar ook gekwetste meisjes. Voor als het nodig is. Die menselijke aanpak vinden ze ongelooflijk noodzakelijk. Anders kunnen ze hun werk niet doen, zeggen ze. Een meisje zingt in de microfoon: ‘o my cold hearted child, tell me how you feel.’

Aansluitend bezoeken we buurtwerk ‘t Lampeke een Leuvense sociale organisatie voor mensen in armoede en sociale uitsluiting. Coördinator Karin vertelt er gepassioneerd over. We zijn te gast bij een percussie les van tien kinderen tussen de acht en twaalf jaar. Maar wel met een ritmegevoel dat zo’n 1000 keer beter is dan het onze. Ze gaan volledig los. Het is eigenlijk gewoon een muziekles. Maar dan voor arme kinderen.

Een sociaal onderzoek
Een paar dagen later rijden we ‘s naar Oostende. We zitten lekker anoniem in een zaaltje en luisteren twee en een half uur lang naar het reilen en zeilen van het Sociaal Huis Oostende.
We leren dat het leefloon voor een alleenstaande 892,70 euro per maand is. En dat een gezin van 1190,27 euro moet rondkomen.
We leren hoe een cliënt die zo’n leefloon aanvraagt, er onthaald wordt. Na zo’n gesprek wordt een sociaal onderzoek opgestart dat 30 dagen duurt. Er volgt een huisbezoek en een sociaal verslag dat wordt gelezen door een bijzonder comité. Mochten zij twijfelen, dan wordt de persoon in kwestie uitgenodigd voor een hoorzitting. Dan volgt de beslissingsbrief.
Wordt het leefloon toegekend dan wordt de begeleiding opgestart en krijg je een sociaal werker toegewezen. Wie dat is, hangt af van het probleem dat je hebt. Samen stel je een GPMI op, een Geindividualiseerd Project Maatschappelijke Integratie. Als je leefloon ontvangt dan heb je meldingsplicht: alles wat er verandert aan je situatie moet je melden. Want dat kan van invloed zijn op je recht op leefloon en op je type begeleiding.
Je moet voldoen aan de juiste voorwaarden, je moet je aan de afspraken houden, rustig wachten in de wachtkamer, je identiteitskaart en je documenten altijd meebrengen en je naam op je brievenbus zetten.

Een vangnet
Bij Rabobank vertelt Roeli van de Rabobank Foundation over de projecten die zij steunen. Ze vertelt bijvoorbeeld over de directeur van Jarige Job. Dat is een organisatie die verjaardagspakketten geeft aan gezinnen die dat zelf niet kunnen betalen: een doos met slingers, een paar cadeautjes, ballonnen en een traktatie voor op school.

Deze directeur was op zoek naar de gezinnen die het niet alleen niet kunnen betalen, maar die ook geen opa’s of oma’s of ooms of tantes of vrienden hebben die dat kunnen opvangen. Wij konden alleen maar denken: die mensen hebben geen ballonnen nodig. Die mensen hebben een familie nodig. ​Een vangnet.

Taal is niet onschuldig
De dag erna zakken we opnieuw af naar Leuven. We drinken er cappuccino zonder slagroom met Luc, de directeur van de Wissel. Daar komen jongeren met uitzichtloze situaties terecht. En het is ook die jeugdhulpvoorziening waar Koen en Terri werken.

We werden blij van zo’n man op zo’n plek. Een econoom die nog steeds af en toe bier drinkt met managers van banken, collega’s uit een vorige job. Hij schiet meteen scherp uit de startblokken. Velen van die ex-collega’s leven in armoede. Ze hebben niet de ruimte om te ontsnappen uit hun stevige gouden kooi. Ook dat is armoede.

Luc had het vooral over taal. De manier waarop we mensen aanspreken in brieven en gesprekken, die woorden zijn niet onschuldig.

We hebben het over hoe we niet meer vanuit vertrouwen naar elkaar kijken maar vanuit wantrouwen. We maken beleid op basis van de 1% die misbruik maakt van het systeem, niet op basis van de 99% die dat niet doet en de hulp zo gruwelijk hard nodig heeft.

Dat besmet ook sociale professionals. Tegenwoordig worden die opgeleid op een manier die gaat over afstand en nabijheid, emotioneel en fysiek. Logisch dan dat hulpverleners een burn-out krijgen: ze kunnen zichzelf niet meer zijn.

We zouden moeten helpen vanuit het ‘niet weten’. Het niet weten wie iemand is en wat hij nodig heeft. Eerst iemand bekijken als mens, daarna pas vanuit je professionaliteit.

Allemaal mens
We ronden het bezoek aan deze Vlaamse studentenstad af. We ontmoeten Amber, een meisje van jeugdinstelling de Wissel. Veel kinderen zijn het willekeurige slachtoffer van armoede, zo ervaarde ze zelf. Het overvalt je omdat je erin geboren wordt. Dan bots je vaak op de samenleving omdat je anders bent. En toch hebben we mensen nodig die anders zijn. Ze vindt dat je de wereld tekort doet als je niet ​anders​ durft te zijn.

Dan kijkt ze recht voor zich uit. Ze schreeuwt bijna uit dat iedereen gelijke kansen zou moeten hebben, los van waar en hoe je geboren wordt en hoe je opgroeit. We zijn toch allemaal mens. Een mens en een mens.

De gemeente
Terug in Nederland, ontmoeten we Annette, verantwoordelijk voor het armoedebeleid van de gemeente ‘s-Hertogenbosch. Annette vertelt trots dat de gemeente ‘s-Hertogenbosch zich echt inzet voor armoedebestrijding. Ze werken samen in een netwerk van verschillende organisaties. Toch kan de gemeente maar weinig verschil maken in het hele systeem rondom inkomensongelijkheid.
Ze tekent het uit op een papiertje, een lange staaf met het woordje overheid, daar bovenop een iets minder lange staaf het woordje burger en een stipje daar bovenop met het woordje: gemeente. Het gemeentelijke armoedebeleid is een speerpunt, maar de gemeente is ook sterk gebonden aan landelijke regels en afspraken. Wat de gemeente vooral kan doen is ondersteunen en verzachten, een pleister zijn.

Schijt aan regeltjes
Een tijd later zitten we aan tafel bij Raf Janssen, destijds wethouder bij de gemeente Peel en Maas.

Een man op de goede plek. Een man met schijt aan de regeltjes, een man die inziet hoe het systeem in elkaar zit en van binnenuit daar tegenaan schopt. Maar tegelijkertijd gebonden blijft aan die regels.

Zijn stelling: individualisering en het economisch denken hebben de armoede en vooral de eenzaamheid van mensen alleen maar groter gemaakt. Raf is een Groenlinkser met idealen. Hij maakt zich zorgen over de toekomst en twijfelt of het beter gaat worden. Volgens hem moeten wij het doen. De jonge generatie. Met kunst.

Emotie en papier
Aan het eind van de week praten we met Eline en Sherita in een café in Rotterdam. Beiden werken er in een wijkteam. Eline is gezinscoach, Sherita helpt ouderen.

Zij kennen het systeem maar al te goed. Eline vertelt hoe ze moet vechten tegen de regels en bureaucratie om iets voor elkaar te krijgen in een gezin wat hulp nodig heeft.

Dat er een enorme kloof is tussen de emotionele praktijk van deze gezinnen en de omringende formulieren en systemen. Te veel tijd gaat verloren aan al dat papierwerk. En ambtenaren beslissen over de budgetten die naar de zorg gaan, terwijl ze te weinig zicht hebben op wat er echt nodig is.

Een kind kan haar zwemles niet betalen omdat haar ouders gebukt gaan onder een schuldenberg van 30.000 euro. Eline zoekt dan graag mee naar een oplossing om dat ticketje toch te betalen. Wie is de hulpverlener om te zeggen dat dit niet kan omdat ze eerst de schuldenberg moeten aflossen?

Armoede is complex. Achter een probleem schuilen meestal nog tien andere problemen. En armoede komt nooit alleen. Soms doet Eline boodschappen voor een gezin terwijl dat niet tot haar takenpakket behoort. Het is een grijs gebied. Vaak moet ze de regels buigen om de mens te helpen. Waar ligt de prioriteit? Ze vertelt dat als je in schuldhulpverlening komt, je al je bezittingen moet opgeven. Dat geld moet naar de schulden. Je scooter, je auto.. oké. Maar ook je huis, waar je misschien al heel lang woont, waar al je herinneringen zijn, waar je sociale leven om heen gebouwd is.. In hoeverre tellen de emotionele waarden dan? Waar moet je een lijn trekken? Kun je in elke situatie zeggen: regels zijn regels?

Op de politieke agenda
Op 20 maart rijden we naar Brussel. In een café tegenover het Centraal Station wacht Michel ons op. Hij is coördinator bij Deceniumdoelen. Die organisatie zet beleidsvoerders onder druk om de armoedeproblematiek terug te dringen.

Michel is een vechter. Hij gaat niet voor projecten of hulpverlening, voor zorg voor arme mensen. Nee, hij forceert dat armoede ook op de politieke agenda komt. Dat de politiek dingen aanpast in het beleid waardoor er stappen gezet kunnen worden om het probleem grondig op te lossen. Ongelijkheid moet iets worden wat hoog op de agenda staat. ​

Ongelijkheid.​ Dat is iets groters dan armoede. Hoe maken we er weer een inclusief verhaal van, een verhaal waar hulp en bijstand niet wordt bepaald op basis van allerlei voorwaarden? Hij gelooft dat armoede kan uitsterven. We moeten dan wel bereid zijn om vandaag het beleid fundamenteel aan te passen.

Ook hij geeft aan dat armoede de afgelopen 30 jaar een heel ander gezicht kreeg. Wij denken onmiddellijk aan de dronken, verslaafde dakloze, aan de ongewassen, verwarde man met dat vieze huis, wij denken aan die verslonsde vrouw die zich stiekem prostitueert. Niet alleen de media, maar ook wij zelf creëren dat stereotype beeld. Op die manier kun je er afstand van nemen ‘ het gaat niet over mij’.

De absurditeit
De dag daarna zitten we op het redactiekantoor van de Correspondent. Journalist Jesse vertelt over zijn ervaring tijdens het meelopen met een deurwaarder.

Over elektriciteitskabels van de buren door de brievenbus, over eindeloos veel lege blikjes bier, over brievenbussen vol post en mensen die niet open doen. Over hoe een deurwaarder soms de bank weghaalt zodat de mensen er niet meer op kunnen liggen. Over dat een deurwaarder wel het recht heeft een deur in te trappen, maar een hulpverlener niet.

Jesse zag ook: “Die deurwaarder veranderde als hij met mensen praatte. Hij werd harder, afstandelijker. Dat moet ook wel, anders kan hij zijn werk niet doen.” Hij is naar rechtszaken geweest waarin de gemeente haar burgers aanklaagt, waar een pro deo advocaat tegenover een advocaat van de gemeente staat.

Bizarre verhalen. Maar mensen die het allemaal moeten ondergaan, ervaren dat vaak niet zo. Voor hen zit de maatschappij zo in elkaar. Hij vertelt over de klucht, de absurditeit van de bureaucratie. Hoe we coaches en gidsen inhuren om ons door de wirwar van systemen te leiden zonder dat iemand zich ooit afvraagt of we dat systeem zelf niet eens grondig moeten aanpakken.

In de auto huiswaarts zijn we boos, verdrietig en vooral moe.

We voelen heel sterk dat die afstand die deurwaarders, belastingcontroleurs en ja, ook heel wat hulpverleners nemen. een groot deel van het probleem is. Die fucking afstand. Juist doordat we ons niet meer ​verbinden​hoeven we het niet te voelen. Juist daardoor verzinnen we regel na regel. En wantrouwen we elkaar.

Als je je met mij zou verbinden, wat zou je dan voelen? Dat het niet klopt? Dat het schuurt en wringt? Dat het werk dat jij doet ​niet klopt? ​Ja! En dat is exact wat er nodig is om iets te kunnen veranderen: verbinding. ​Maar we zien en voelen het veel te weinig. We zijn kwaad.

Hoogstens een schrammetje
Bij thuiskomst vindt een van ons beide een gepeperde belastingbrief onder de deur. Isil moet 11.500 euro terugbetalen door eerdere berekeningsfouten. Dat geld heeft ze niet. Dat is meer dan de helft van haar jaarinkomen. Ze is dus de komende twee jaar aan het terugbetalen.

Gelukkig is ze samen met de liefde van haar leven. Ze heeft werk, vrienden en een grote lieve familie die iedere euro zal omdraaien om te helpen. Ze zal dus niet hard vallen. Hoogstens een schrammetje.

In de klas
In Arnhem gaan we op de koffie bij Mirte. Zij geeft geschiedenisles in het tweetalig onderwijs. “Best een eliteplek, zij zal wel niet veel met armoede te maken krijgen,” denken we nog van te voren.

In iedere klas zitten één of twee kinderen die in diepe armoede leven. Kinderen die afhankelijk zijn van de voedselbank of geen geld hebben voor nieuwe schoenen of jas.

Mirte vertelt ons dat een school potjes heeft waar ouders gebruik van kunnen maken. Moeten ze wel eerst hun loonstrookje en jaaroverzicht laten zien.

Ze vertelt ook over de zorgcoach, zorgmentor, zorgcoordinator, zorgteammeetings en de buurtcoach. Al die mensen hebben meerdere scholen onder hun hoede en hebben het veel te druk. Ze vertelt dat ze ‘s avonds vaak zit te googelen om erachter te komen hoe ze met bepaalde psychische problemen om moet gaan. Die kennis moet ze zelf bijspijkeren omdat ze dat niet geleerd heeft tijdens haar opleiding.

Buiten de lijntjes
Aan het einde van een lange dag praten we in Oostende met Pascale van vzw Wieder. Dat is een organisatie die zich inzet voor armen in de stad Brugge.

Pascale is fel en kleurt buiten de lijntjes. Ze werkt al twaalf jaar in deze armoedebusiness. Ze schopt tegen de schenen van beleids- en regeltjesmakers.

Ze praat met zwarte humor, maar toch licht. Dat moeten we volgens haar ook doen in onze armoedeproject. “Maak geen voorstelling over hoe zielig de mensen in armoede zijn of over hoe erg het allemaal is. “Want dat kom ik niet kijken”, zegt ze. “Maak het straight, zegt het duidelijk en onomwonden. Aan nuance heeft niemand iets. Zorg voor een zakelijke, harde benadering. Gebruik humor en relativering, zoals zij die in langdurige armoede leven zo goed kunnen. En laat het over ‘ons’ gaan. En niet meer over ‘ik’ versus ‘zij’. Wij allemaal samen.”

Eigen schuld
In Den Bosch zoeken we Wilma van Welzijn Divers op. Wilma zegt dat de Nederlanders diep van binnen denken vanuit het principe ‘​eigen schuld, dikke bult’. Armoede heb je aan jezelf te danken. Dat schemert vaak door in onze oordelen over mensen die in armoede leven. En we denken allemaal te weten hoe het in elkaar zit.

Wist je dat uit onderzoek is gebleken dat 90% van de Nederlanders vindt dat iemand die fraude pleegt in de bijstand gestraft moet worden? De bijstand moet onmiddellijk gestopt worden. Gevolgd door een fikse boete.

“Wat vind jij daarvan?”, vragen we haar. “We missen nuance. We hebben geen beeld dat berust op de werkelijkheid. Niet van wat fraude is. En ook niet van wat armoede is.”

Met eten en muziek
De rest van de dag in Den Bosch horen we wel vier keer: “Waarom vragen we het de mensen zelf niet eerst? Wat zij nodig hebben om eruit te komen? Even stilstaan. De vraag stellen. En op het antwoord wachten.”

Contact maken. Menselijkheid. Een inclusie-verhaal moeten we gaan vertellen. Wij met ons project. Met humor en een zwart randje en met eten en muziek, want dat verbindt ons. We gaan ons best doen.

Hard trekken vanuit Brussel
Maar eerst steken we ons licht nog op in Brussel. Nahima Lanjriis er federaal parlementslid voor CD&V. Vanuit die pluchen beleidsstoel zet zich in voor “mensen die niet mee kunnen”. Zo zegt ze het zelf.

Nahima verzet graag bakens. Ze wil een armoedetoets invoeren zodat bij elke overheidsbeslissing het effect op mensen in armoede afgetoetst wordt. Maar ook hier moet je heel hard trekken om in zo’n beleidsdossiers beweging te krijgen. Ook in Brussel leeft er nog een fout beeld op armoede. “Als mensen hun rekeningen niet kunnen betalen, dan zullen ze wel sneller werk gaan zoeken.” Een befaamde uitspraak van de staatssecretaris voor armoede bestrijding.

De weg is nog lang en democratie kost tijd. Mensen willen graag een simpele oplossing. Complexe problemen en doorgedreven nuance zijn niet sexy in de politiek.

Los het zelf op
Diezelfde avond nog, schuiven we aan bij het Kapoentje in Oostende. Daar hebben ze een kindercrèche, begeleiden ze ouders bij de opvoeding en leiden ze moeders op tot crècheleidster. Jonge kinderen kunnen er ook tot twaalf weken lang residentieel opgevangen worden.

Wat volgt, is weerom een gepassioneerd gesprek over armoede, over mensen die niet mee kunnen draaien. Tegen zo’n jong kind zegt niemand: “Pech, los het zelf maar op.” Maar vanaf een bepaalde leeftijd slaat dat om. Jongeren krijgen dan wel de schuld van de kwetsbare situatie waarin ze verzeild geraakten.

Maud leidt ons rond in een fonkelnieuw gebouw. Ze vertelt dat daar heel jonge kinderen verblijven die uit moeilijke gezinssituaties komen. Sommigen kunnen wellicht niet meer naar huis, ook al wordt dit heel erg aanmoedigt. Acht kindjes zitten er aan een ronde tafel. Ze kletsen, gillen, maken ruzie, zeuren om nog een boterham. En kijken ons nieuwsgierig aan.

In de box staan vier blonde koppies recht op. “Echte dramaqueens”, zegt Maud, “maar al wel getekend voor het leven door geweld en misbruik.”

We worden er stil val. Isil herpakt zich als eerste. Ze vertelt dat haar eigen dochter veel te veel knuffels op haar bed heeft, een berg was op de grond, een vochtige handdoek aan de deur. Ze schetst ook het warme avondritueel. Dochter zegt: “Lekker slapen en tot morgen mama.” Mama antwoordt: “Lekker slapen en tot morgen liefje. Ik hou van jou.” Voor deze blonde dramaqueens is dat niet meer vanzelfsprekend. De meeste kinderen hier worden niet naar bed gebracht door hun mama.

Het klopt niet
En dan is er straathoekwerker Joost. Met hoedje, rauw en doorleefd. Ook hij wijst meteen op het belang van foute denkbeelden rond armoede. We zijn ervan overtuigd dat mensen hun doen en laten vrij kunnen kiezen. “Ik ken heel wat junks. Maar ik ken er geen enkele die toen hij twaalf jaar was ervoor koos om later in de goot te belanden, geen tanden en nog minder vrienden te hebben.”

Zodra mensen steun nodig hebben, betalen ze een prijs omdat ze zogezegd foute keuzes gemaakt hebben. Je moet je hulp verdienen door eerst aan te tonen dat je vijftien keer gesolliciteerd hebt, dat je in staat bent om je huis te onderhouden, dat je wil werken aan je arbeidsattitude en woonvaardigheden en dat je ook nog iets terug wilt doen voor de maatschappij in vorm van vrijwilligerswerk. Pas als dat lijstje mooi afgevinkt is, krijg je een uitkering die net voldoende is om de twintigste van de maand te halen. De resterende dagen van die maand kan je op uw kin kloppen of domme dingen doen.

Sociaal werkers moeten blijven roepen dat dit niet klopt. Een mens heeft recht op een menswaardig leven omdat hij mens is, niet omdat een lijstje afgevinkt werd.

Om dat tij te keren, moet de mens veranderen. “De mens moet ontschild en ontpeld worden.” Hoe gaan we anders aan die meest gekwetste mens tonen dat hij mens is? Door te tonen dat hij je raakt. Je kan dat alleen maar als je met mensen in relatie gaat. Je echt zorgen maken. En geduldig op antwoorden wachten. De stilte niet invullen door zelf te bepalen wat goed is voor een ander.

Joost is kritisch voor zichzelf en zijn stiel. “Hulpverleners hebben verleerd wat kunstenaars nog wel kunnen. Jullie zijn echt benieuwd en verwonderd. Jullie willen niet oplossen, jullie willen tonen. Hulpverleners willen alleen maar oplossen.”

Joost kleurt buiten de lijntjes. En vele anderen met hem. Gelukkig maar.