Vandaag mag ik met Cynthia Ristow op pad. Cynthia hebben wij gisteren ontmoet bij de Vlastrov teammeeting en is zo gul direct vandaag een deel van haar ronde met mij samen te willen lopen. We ontmoeten elkaar in ontmoetingscentrum De Blomme, wat volgens mij De Bloem betekent uit dit prachtige dialect vertaald. Wonderlijke naam ten midden van al dit beton. “Ah hier woont de rest”, dacht ik toen ik aan kwam fietsen. Gigantische galerijflats doemen op. Ontmoetingscentrum De Blomme word voornamelijk gebruikt door de oudere Oostendenaar. Meeste stemmen gelden?

We beginnen aan onze ronde langs de hoogbouw. 37 van deze ingangen zijn er, zonder lift de meeste flats gaan tot 13hoog. Alles bij mekaar wonen hier ruim 600 huishoudens op elkaar gestapeld. Toch zijn de meesten niet blij met het feit dat er binnenkort word begonnen aan nieuwbouw waarover deze bewoners zullen worden verspreid. Want dat zal duurder zijn en de meesten zullen er een slaapkamer op in moeten leveren. En voor Cynthia ook geen makkie, de opgebouwde relaties zomaar elders te moeten voortzetten in nieuwe sociale omgevingen. Maar afgekeurd zijn ze, de 45 jaar oude flatgebouwen. Ze voldoen niet meer aan de hedendaagse eisen en slopen is goedkoper dan renoveren. Ze zien er nochtans stevig uit.

Aan de achterkant van de Apenplaneet, zoals dit blok in de volksmond wordt genoemd -ik kijk haar geschrokken aan en vraag- “ehm sorry hoe wordt het hier genoemd?!” Ik krijg een keurig antwoord. Omdat er vroeger vaker geen water stroomde en de mensen met tonnen op hun schouders naar de andere wijken kwamen en als die tonnen dan vol zaten ze dan zo terug waggelden als apen… nouja dat. Of dat dan niet een verhaal is die het racistische kantje keurig probeert te ontkennen vraag ik… “Waarschijnlijk wel ja” zucht Cynthia. Maar goed we liepen er net weg dus. Erachter ligt de wijk waarmee De Nieuwe Stad geboren werd. Een zeer bijzondere architectuur die nog het meest doet denken aan een CenterParcs bungalowpark uit begin jaren 70. Zoals het Vennebos, kent u dat? Daar lijkt het op, maar dan tegen mekaar aan gebouwd.

In prachtig contrast met de flats bestaat een groot gedeelte van de wijk slechts uit begane grondbouw. De buitenste ring met lange oprijlanen en diepe tuinen, en meer naar binnen dichter op elkaar. Verder naar binnen verschijnt er nog een woonlaag op en verdwijnt er meer groen en in de kern vinden we het tien jaar later gebouwde centrum van De Nieuwe Stad. Of nou ja, centrum. Van alle winkels en horeca die er zat is alleen de kapper, de (super)markt en de dierenwinkel er nog in bedrijf. Ik herken de wijk uit de film Take Good Care Of My Baby, een project van Kleinverhaal. Cynthia verteld hoe geweldig dat was, de levendigheid rond het project. Hoe de wijk AAN stond en iedereen zich moeide. Ze laat me het winkelpand zien waar Kleinverhaal toen zijn filmkantoor had geopend. Behalve die titel en een dikke laag stof op de ramen was er niets meer. Shit. Dat prachtige project liet een gat achter. “het zou zo mooi zijn als er weer eens zo’n project zou zijn voor de mensen hier” zegt Cynthia terwijl ik nadenk over hoe weinig ik eigenlijk weet van de mensen met wie ik vorig jaar in Amsterdam Noord aan The Village werkte, hoe zou het met ze gaan. Laten wij ook zulke gaten achter?..

Na een vijftal straten heb ik al geen idee meer waar we vandaan komen, waar we de wijk in zijn gegaan…  het blijkt een prachtig doolhof. Het is er stil. Haast niemand op straat. “Is dat nu typisch West Vlaams?” vraag ik, met mijn Amsterdamse frons naar de dichte rolluiken kijkend, “zou goed kunnen” lacht de Braziliaanse Cynthia. “De mensen hier zouden zeggen dat die Hollanders geen schaamte kennen!” “Schamen de mensen zich hier?” Vraag ik. “Ze lopen in ieder geval niet te koop met hun problemen. Het eerste half jaar dat ik hier werkte mocht ik geen contact maken volgens mijn opdracht. Eerst observeren, in kaart brengen, wennen en aan uw aanwezigheid laten wennen… Ik wilde in het begin teveel, zocht veel te hard de confrontatie. Ik wilde te graag helpen, dat werkt ave rechts. De mensen die de hulp het hardst nodig hebben moet je niet tegen je in het harnas jagen, die moet je zachtjes behandelen. Afwachtend moet je zijn, naar jou toe laten komen. Als duurt het een jaar. Dat is de enige manier…”

Mijn hoofd tolt. Dus ten eerste heb ik hier nog steeds niets gezien van alle heftigheid de de cijfers schetsten. Als ontevreden ramptoerist van zijn missie beroofd en zich daar ook schuldig over voelend breek ik ten tweede mijn hoofd over hoe je er nu voor iemand kunt zijn als diegene zich verstopt. Hoe portretteer je een groep die liever niet gezien wordt. En hoe zorgen we ervoor dat we iets achterlaten behalve dat gat. Of was het toch zo dat naast dat gat, we via de ont-moetingen die we faciliteerden, verbindingen hebben veroorzaakt die er anders niet zouden zijn?

<denkpauze>

Toch zou het mooi wezen als die etalage niet leeg bleef…